Het grote verdwaalverhaal

LisetteJonkman1988BlogLeave a Comment

Een grote man stoof de boerderij uit, op mijn auto af. Een bóze grote man, die allemaal dingen naar me schreeuwde in het Duits. O jee. Ik drukte het gas in en maakte zo snel mogelijk dat ik wegkwam, onderwijl ‘sorry, sorry!’ piepend. Als klap op de vuurpijl reed ik ook nog bijna over zijn hond heen. ‘Nog meer sorry!’ riep ik uit het raam. Ik liet de boerderij zo snel mogelijk achter me. Voor ik het wist, reed ik weer tussen de maïsvelden door. Hardop vroeg ik aan de lege auto: ‘Kan het nou nooit eens in één keer goed gaan?’

Een grote man stoof de boerderij uit, op mijn auto af. Een bóze grote man, die allemaal dingen naar me schreeuwde in het Duits. O jee. Ik drukte het gas in en maakte zo snel mogelijk dat ik wegkwam, onderwijl ‘sorry, sorry!’ piepend. Als klap op de vuurpijl reed ik ook nog bijna over zijn hond heen. ‘Nog meer sorry!’ riep ik uit het raam. Ik liet de boerderij zo snel mogelijk achter me. Voor ik het wist, reed ik weer tussen de maïsvelden door. Hardop vroeg ik aan de lege auto: ‘Kan het nou nooit eens in één keer goed gaan?’

Ik zal even terugspoelen naar het begin. Het begon namelijk allemaal een dag eerder, toen ik een berichtje van Natasja ontving dat er geen beamer was. Een PowerPointpresentatie zat er dus niet in bij mijn workshop ‘Hoe awesomificeer je je verhaal?’ die ik de volgende dag zou geven tijdens het YA Summer Camp van Storm Publishers.

 

Pokkeprinter 

Ik schreef mijn presentatie om tot iets waar ik hopelijk de volgende dag nog steeds wijs uit kon worden. Zo. Nu moest ik op de ochtend van de workshop alleen nog even 26 handouts printen, zodat mijn workshoppers iets hadden om zich aan vast te klampen tijdens mijn woordenstorm.

De printer lachte minachtend. Hoorde ik je daar ‘even’ zeggen? Alsof je op het knopje ‘printen’ drukt en dan een minuutje later met een bedrukt A4’tje in je handen staat? Hahahaha. Schattig. 

Zodoende stuurde ik op de ochtend van de workshop een appje naar mijn moeder. ‘Ik kom even 26 handouts bij je printen. Tot zo!’

Gelukkig was ik ruim op tijd. Ik weet namelijk inmiddels dat 10 minuten geen speling is, maar gewoon op tijd. Ik denk gewoon bij alles wat met op tijd komen te maken heeft: wat zou Cynthia doen?

Ik regelde het zo dat ik drie kwartier speling had, dan kon er tenminste wat fout gaan. Enigszins overmoedig klopte ik mezelf op de borst. Knappe omstandigheid die mij vandaag van mijn stuk zou brengen. Há. 

Het printen van de handouts verliep iets minder soepeltjes dan ik graag had gezien (de printer van mijn ouders doet alles achterstevoren) en ik was even vergeten dat ik ook overal nog een nietje doorheen moest jassen. Maar ach, ik kon wel wat hebben deze ochtend.

O, shit, ik moest me nog opmaken. En ik had nog niets gegeten.

Ignorance is bliss

Gewapend met nog een half uur speling en een snel meegegriste Mars en maaltijdreep van mam, zat ik even later in de auto. Goed, reis van twee uur en een kwartier. Kom maar op.

Wist ik veel dat dit de dag was waarop zou ontdekken waarom je ALTIJD even je route moet checken en niet blind op je navigatiesysteem vertrouwen. Ik racete heerlijk onwetend de Spijkerboorsdijk af, op weg naar Winterswijk Woold. ‘Ergens onder Enschede, in de buurt van Winterswijk,’ was me uitgelegd. Whatevs, ik hoefde niet te weten waar het was – daar had ik mijn trouwe navigatiesysteem voor. 

Mijn roes van onoverwinnelijkheid begon een beetje op te trekken toen de chagrijnige stem van mijn navigatie zei: ‘Neem over drie kilometer de afslag naar Erm en Sleen.’

Ik fronste en keek op het schermpje. Erm en Sleen? Wat moest ik in vredesnaam in Erm of Sleen? Liep daar stiekem een grote snelweg waar ik niets van wist? Wat was er mis met de snelweg waar ik nu op reed?

 

Richtingsgevoel van een dronken egeltje

Misschien is dit het juiste moment om je iets te vertellen over mijn richtingsgevoel. Er zijn veel dingen die ik niet zo goed kan, zoals rekenen en mijn huis opgeruimd houden, maar navigeren scoort bij mijn de volle 100% op de ‘KAN IK NIEHIET!’-schaal. Ik denk voor het gemak maar gewoon dat iedere kant die ik opga het noorden is. Ik weet een aantal plaatsen te liggen in Nederland, maar vraag me niet hoe ik van de een naar de ander kom. Ik heb het richtingsgevoel van een dronken egeltje.

Het baarde me dan ook geen zorgen dat ik richting het randje van Nederland reed. Ik kwam keurig op een andere snelweg uit (blijkbaar was daar inderdaad een snelweg waar ik niets van wist – weer iets geleerd!).

 

Hé Duitsland, jij hier?

Plotseling zag ik aan de zijkant van de weg een blauw bord met een woord in het midden, omringd door gele sterretjes. Ik dacht nog: ‘Grappig, dat lijkt wel zo’n landenbord.’

Een paar seconden later zag ik nog zo’n bord. Nu kon ik de tekst die erop stond ook lezen.

BUNDESREPUBLIK DEUTSCHLAND.

‘Shit!’ siste ik. Duitsland? Duitsland? Waarom ging ik over Duitsland?

Ik weet niet waarom, maar ik vind het altijd zo’n drempel om in Duitsland te rijden. Ik moet mijn internet uitzetten omdat ik anders miljoenen euro’s verspil, ik spreek de taal niet (echt niet) en… nou ja, het is vooral een gevoelsmatige drempel, maar toch. Als ik had geweten dat mijn telefoon me over Duitsland wilde sturen, had ik even uitgezocht hoe ik via Nederland kon rijden.
Les 1: check altijd de route op je navigatiesysteem.

Op het scherm stond dat ik 97 kilometer rechtdoor moest rijden op dezelfde weg. Hm, ik was nog steeds niet heel tevreden dat ik in Duitsland zat, maar 97 kilometer rechtdoor rijden op de Autobahn kan iedereen. Waarschijnlijk zou ik dan later weer met de snelweg Nederland in worden gestuurd en kon ik daar vandaan een afslag naar Winterswijk Woold nemen. Waar dat ook mocht zijn.

Na 97 kilometer bitchte mijn navigatie: ‘Over drie kilometer, neem de afslag naar Ausfahrt.’

Ik vermoed dat mijn navigatie niet helemaal begrijpt wat uitrit in het Duits is, maar dat moet je haar maar vergeven. Ze zegt ook altijd dingen als: ‘Houd rechts aan bij het Knooppunt Knoopput [huppeldepup].’

Ik sloeg af en kwam uit op een 80 kilometer-per-uur-weg. Op het schermpje voor mijn neus zag ik mijn route een haakse bocht maken. ‘Over vijfhonderd meter, sla rechtsaf.’

Een stoplicht? Een kruising? Ik vroeg me af wat ik tegen zou komen. Mijn vraag werd al snel beantwoord: een amper zichtbaar landweggetje. Als mijn navigatie niet heel duidelijk een weg had aangegeven, had ik deze inham tussen het gras waarschijnlijk over het hoofd gezien. Ik moest even bovenop mijn rem (gelukkig reed er niemand achter me) en sloeg het weggetje in.

 

Verboden voor iedereen (behalve mij)

Aan het begin stond een rond bord met een auto erop, en daaromheen een rode rand. Volgens mij betekent dat bord in Duitsland hetzelfde als bij ons, maar zoals ik al zei: blind vertrouwen in mijn navigatiebitch. Ik reed langzaam het smalle, verharde weggetje op. Het zat vol kuilen. De maïsstengels stonden aan beide kanten zo hoog, dat het af en toe net was alsof ik in een groene tunnel reed. Ik laveerde om fietsers en wandelaars heen, die me bevreemd aankeken. Ik zat klaar om mijn ‘o, sorry, ik ben maar een domme Nederlander’-act op te voeren, maar dat hoefde blijkbaar niet.

Een kwartier lang voerde mijn mobiel me tussen weilanden vol koeien door, met hier en daar een boerderijtje. Mijn navigatie vertelde me vrolijk dat het nog maar 11 minuten zou duren voordat ik mijn bestemming zou bereiken. Waarschijnlijk voerde hij me gewoon vanuit de Duitse middle of nowhere vlak over de grens, naar de Nederlandse middle of nowhere. Ik begon er net een beetje vertrouwen in te krijgen, toen mijn route abrupt werd onderbroken.

Ik reed een boerenerf op.

 

Aufrausen!

Klopte dit wel? Dit leek me toch vrij duidelijk privéterrein.

Ik checkte mijn schermpje, maar stond midden op de blauwe lijn, die tussen de stal en het hoofdgebouw door naar de achterkant van het erf leidde. Met een aarzelend slakkengangetje reed ik verder – tot het niet meer lukte.

Voor mijn neus doemde een poortje op. Het was breed genoeg voor wandelaars en fietsers, maar mijn auto kon ik er met de beste wil van de wereld niet doorheen prakken.

Licht wanhopig keek ik of ik er misschien omheen kon, op wat voor manier dan ook. Ik was nu toch al bezig met verkeersregels breken. Rechts stond een hek. Nu is mijn C1 veel, maar een springpaard zal hij nooit worden. Aan de linkerkant had ik ook al geen geluk: het pad eindigde in een bouwput.

Ik weet wanneer ik verslagen ben. Met tegenzin begon ik mijn auto te keren, toen de Niet Zo Blije Boer naar buiten kwam. Gelukkig was ik snel weer van zijn erf af. En hij was bijna van zijn hond af, waarvoor nogmaals een gegilde sorry. Het gunstigste scenario was op dat moment overigens geweest om mijn auto te laten staan en een fiets van de Boze Boer te lenen, maar ten eerste wist ik dat toen nog niet en ten tweede zag de boer er niet uit alsof hij openstond voor het uitlenen van wat dan ook aan mij.

 

Herberekenen… Herberekenen…

De terugweg naar de 80 kilometer-per-uur-weg kostte me wederom een kwartier, waardoor ik mijn halve uur speling kwijt was. Het enige wat ik nu nog had, waren de tien minuten die ik op de Autobahn had ingehaald. Goed, ik had nog even. Geen man overboord: ik ging gewoon die 80-kilometerweg weer op – hoppa – en dan zou mijn navigatiesysteem vanzelf een nieuwe route voor me bedenken.

‘Sla rechtsaf.’

Opgelucht nam ik de eerstvolgende afslag rechts, maar voordat ik weer zo’n smal landweggetje op reed, besloot ik even te checken waar ik uit zou komen.

Ja hoor, bij het Fietspoortje Der Verdoemenis.

Ik draaide de weg weer op en reed verder. Mijn pijltje reed van de blauwe lijn af, het grijze niemandsland in, maar mijn mobiel kon ieder moment een nieuwe route berekenen.

Ieder moment.

Hallo, ik weet dat ik ieder moment zei, maar het mag ook nú, hoor.

O! Ik had mijn internet natuurlijk uitgeschakeld toen ik Duitsland in reed. Snel zette ik het icoontje met ‘mobiele gegevens’ weer aan en wachtte tot er iets kwam. Terwijl ik wachtte, reed ik de 80-kilometerweg helemaal af, tot ik bij een rotonde kwam en er nog steeds niets gebeurd was qua herberekening.

Ik besloot dat het tijd was om maar eens naar de organisatie te bellen.

Op naar Rhede! (Eh…)

Marijke vertelde me dat er naast vrijwel geen wifi ook zeer slecht mobiel bereik was op hun paradijselijke schrijfretraite. Heel goed tegen de afleiding, iets minder voor het binnenpraten van verdwaalde schrijfsters.

‘Kun je naar Winterswijk navigeren?’ vroeg ze.

‘Het lijkt erop dat ik helemaal nergens heen kan navigeren,’ zei ik spijtig.

‘Ah. Wacht, een tip van de receptie: je moet de zon in je rug houden.’

Ik voelde een vlaag van padvindersgeest en richtte mijn blik omhoog door de voorruit. ‘Eh…’ Ik keek door het zijraam omhoog, maar daar had ik hetzelfde grijze uitzicht. ‘En wat nou als het hier echt compleet bewolkt is?’

Uiteindelijk besloten Marijke en ik samen dat ik naar iets (waar dan ook!) in Nederland zou rijden, en dat we vanaf daar wel weer verder zouden zien. Het voelde toch een beetje benauwend om verdwaald te zijn in Duitsland. Op een bordje had ik Rhede zien staan en ik meende me te herinneren dat dat in Nederland was. Goed, in mijn herinnering lag het wat verder van de grens, maar misschien was het wel net als wanneer je in Amsterdam al Groningen op de bordjes ziet staan?

Dapper volgde ik de bordjes naar Rhede. Wat ik tijdens mijn onbedoelde roadtrip door Duitsland geleerd heb, is dat Rheden in Nederland ligt. RhedeNNNNNNNN. Rhede ligt daarentegen gewoon in Duitsland.

Les 2: alleen als er (NL) achter een plaatsnaam op een bordje in Duitsland staat, bedoelen ze een Nederlandse plaats. Jezus, Lis, dat wist je heus wel.

 

*Voeg hier een grapje in over een bochel krijgen*

Ruim een kwartier verder en in toenemende mate van radeloosheid probeerde ik zelf de route uit te vogelen. Helaas ben ik heel slecht in kaartlezen, zelfs als Google Maps al voor me aanwijst waar ik me op dat moment bevind en waar ik heen moet. Het lukt simpelweg niet om te definiëren of ik de Gronaustrasse de ene kant op moet nemen, of de andere kant. Uiteindelijk koos ik voor rechts, omdat ik als rechtshandige toch een lichte voorkeur schijn te hebben voor die kant.

Bocholt, heette het plaatsje waar ik weet-ik-veel hoeveel minuten later neerstreek. Ik parkeerde mijn auto voor restaurant/hotel Am Erzengel en beende naar binnen, in de hoop zelf ook een reddende engel tegen te komen.

‘Darf ich etwas fragen?’ begon ik schoorvoetend in mijn beste Duits, waarop ik dacht: waarom praat ik Duits? Ik versta het niet eens! Engels, idioot, praat Engels!

‘I’m sorry,’ onderbrak ik mezelf. ‘I don’t even know why I’m trying this in German.’

O, sprak de receptionist eigenlijk wel Engels? Ik vroeg het, waarop hij antwoordde met een enigszins beledigd: ‘Of course.’

De receptionist had een kaartje voor me. Yes, nog meer kaarten. Daar ben ik toch al zo goed mee. De receptionist legde me uit hoe ik in Winterswijk kwam, en deed ondertussen een perfecte imitatie van iedere Hollywood-Duitser die Engels probeert te praten. Hij gaf me het kaartje mee en ik kon weer on my merry way.

Zo merry was ik trouwens niet meer. Zodra ik in de auto stapte, belde Marijke. ‘We hebben een oplossing,’ zei ze triomfantelijk. ‘We komen je halen!’

‘Halen?’ Ik voelde een belachelijk opgeluchte grijns over mijn gezicht glijden. ‘O, dat is fantastisch! Dank je, jullie zijn redders.’

 

Duitsland vond me zo leuk dat het me wilde houden

Mijn twee redderinnen in nood stonden een half uur later voor mijn neus, in de vorm van Natasja en Marijke. Ik viel hen allebei om de hals en riep dingen over gegijzeld worden door Duitsland en ‘de oorlog all over again’. Jup, ik was zo opgelucht dat ik terugviel op flauwe Tweede Wereldoorloggrapjes. *insert bejaard kraakstemmetje* ‘Ik weet het nog goed, het was 2015 en ik zou alleen even voor een korte route door Duitsland rijden – nou, dat heb ik geweten. Vijfenzestig ben ik nu, vijfenzéstig, en nog steeds rijd ik rondjes door dit verdammte Scheissland!’

Ik reed braaf achter de Ford Feestje van Natasja aan. Onderweg constateerde ik verschillende malen dat ik echt een enorme apaat ben, die alleen maar verder Duitsland in was gereden, in plaats van eruit. Het was maar goed dat de Reddertjes er waren om me uit de penarie te helpen.

Toen we het bordje met Nederland passeerden (het prachtige, fantastische, heerlijk vertrouwde bordje met Nederland) wilde ik eigenlijk toeteren, maar omdat ik dat een beetje aso vond, nam ik genoegen met mijn vuist uit het raam steken. YEAH!

 

Alles wat ik me maar kon wespen wensen

In eerste instantie zou ik de workshop geven voor meiden tussen de 14 en 29, maar tegen de tijd dat ik gearriveerd was in Winterswijk Woold, was iedereen al minstens 4 jaar ouder geworden van het wachten.

De workshop zelf ging goed, al was er uiteraard wel de nodige chaos. Zoals je waarschijnlijk wel weet, heb ik de concentratieboog van een strontvlieg in een verstopt riool, en wat ook niet echt meehielp was dat Alex achter mij constant met veel bravoure de binnenvallende wespen aan het doodslaan was. Wat wel enorm hielp, was de leuke en enthousiaste groep. Allemaal schrijvers die bruisten van inspiratie en me regelmatig aan het lachen maakten. Jongensch, ik heb genoten. (Ik hoop dat alle Zonnetjes en Tante Co’s het ook leuk hebben gehad.)

We rijden een stukje Ommen

Op de terugweg kwam ik er trouwens achter waarom mijn navigatie me per se over Duitsland wilde hebben: de N36 over Ommen was afgesloten. No biggie, dacht ik, dan ga ik wel via Zwolle.

Een paar kilometer later was Zwolle ook afgeplakt op de borden. Ik ben via Wierden terug naar Groningen gereden. Ja, fricking Wierden. Prachtige plaats, overigens, niets mis mee. Behalve dat het niet de snelweg was die ik zo graag zou zien.

Les 3: check van tevoren of er werkzaamheden zijn op de weg die je normaal altijd neemt. Lisette Jonkman, ik wil dat je dit vanaf nu altijd gaat doen. Verdorie.

 

Randstad, I love you

Woensdag 22 juli: de dag waarop ik extreem veel landelijke binnendoorweggetjes heb gezien. Genoeg voor de rest van het jaar. Ik zal nooit, maar dan ook nóóit meer klagen als er weer eens een evenement in de Randstad wordt gehouden. Daar weet mijn navigatie tenminste de weg.

Kom maar op, Amsterdam. Ik lust je rauw.

 

Liefs,

Lis