Nee hoor, ik ben geen schrijver | OP AVONTUUR IN MAROKKO

LisetteJonkman1988Blog, Persoonlijk7 Comments

Monsieur Moustache draaide zijn beeldscherm een kwartslag, zodat ik erop kon kijken. ‘Is dit een boek van jou?’ Ik knikte braaf en probeerde niet ongeduldig om me heen te kijken in de inmiddels lege hal. De rest van de passagiers uit mijn vliegtuig was al lang doorgelopen – inclusief Lau. Ik weet zeker dat Marokko leuk wordt zodra ik door de paspoortcontrole ben, schoot het door mijn hoofd.

Het kwik tikte de -10 aan toen we op woensdag 28 februari om 5 uur ‘s ochtends in de auto stapten. Daarbij tikten mijn wallen tevens mijn knieën aan, maar wat wil je ook op zo’n tijdstip. Om één of andere reden had ik tijdens het boeken bedacht dat het een goed idee was om te vliegen vanaf Eindhoven Airport. Dat is ruim 2,5 uur rijden voor ons, en Lau en ik zijn allebei geen ochtendmensen. Er hing dus niet bepaald een vakantiesfeer in de auto terwijl we naar het vliegveld reden. Eerder een ‘de eerste persoon die iets tegen me zegt bijt ik dood’-sfeer.

‘s Werelds slechtste planner plant een vakantie

De avond tevoren was ik nog tot half 12 bezig geweest met de koffers inpakken. In mijn hoofd was de vakantie naar Marokko steeds iets dat nog heel ver in de toekomst lag – ook toen het eigenlijk al over een week was. Wat ook niet hielp: vrijdag tot en met maandag vóór de vakantie waren we een weekend weg met mijn moeder en mijn Frank, ter ere van hun 12,5-jarig huwelijk. Supergezellig natuurlijk, maar dat betekende dat we nog maar 1,5 dag hadden om de auto weg te brengen voor een grote beurt (en weer op te halen), zesduizend wasjes te draaien/drogen én natuurlijk de twee rolkoffertjes en rugtassen in te pakken. O, en ondertussen moest ik ook nog iedere vijf minuten denken: ‘Dit had ik zoveel beter kunnen plannen. Waarom heb ik dit niet beter gepland?’

Priority mét vieze buurman

Eenmaal op het vliegveld ontdooide de stemming een beetje, en toen ook nog bleek dat ik per ongeluk Priority had geboekt en we dus als eerste het vliegtuig in mochten, was ik helemaal terug op mijn oude blijheidsniveau. Ik bedoel, niet dat het écht iets uitmaakt dat je er als eerste in mag – iedereen moet met hetzelfde vliegtuig weg en heeft een vaste plaats – maar toch vond ik het wel een klein beetje leuk. Dat geluksgevoel hield aan tot het moment waarop de meneer die naast me zat arriveerde. De vriendelijke glimlach die hij me schonk bewees dat hij manieren hoog in het vaandel had staan, maar ik had eigenlijk liever gehad dat hij persoonlijke hygiëne zo hoog opnam. Het ergste was nog niet eens de geur van oud zweet, maar zijn vettige bruingroene jas vol vlekken die bij iedere beweging die hij maakte subtiel langs mijn arm streek. RILLINGEN!

Ik vouw je op, ik neem je mee

Ik vond mezelf heel grootmoedig toen ik tegen Lau zei dat hij wel bij het raampje mocht zitten, maar het kwam erop neer dat hij zich zo’n beetje dubbel moest vouwen om er ook daadwerkelijk doorheen te kunnen kijken. En onderuitzakken om het beter te zien was er ook niet bij; hij zat precies klem tussen zijn stoel en die voor hem. We hadden natuurlijk een stoel met extra beenruimte kunnen reserveren voor de luttele prijs van mijn linkernier, maar aangezien we gierige Hollanders zijn vonden we dit prima kunnen. Ik herinner me een soortgelijke beslissing op een vlucht van Londen naar Amsterdam een paar jaar geleden, aangezien de vlucht slechts drie kwartier zou duren. Die drie kwartier werden uiteindelijk bijna zeven uur, en al die tijd zat Lau met z’n knieën klem in zijn nek. Tja, je bent een Drentse krent of je bent het niet.

40 graden warmer

Ondanks de aroma’s van mijn buurman en de krappe zitplek verliep de vlucht zonder problemen. En toen we uit het vliegtuig stapten met onze winterjassen aan, bleek het dertig graden te zijn. DERTIG FUCKING GRADEN. Dat betekende dat we in een kleine vier uur tijd gewoon 40 graden in temperatuur waren gestegen! En nog beter: ik zag bergen in de verte. Het rook warm en droog, vele malen beter dan de geurloze grafkou die we net achter ons hadden gelaten.
‘Hé Lau,’ zei ik.
‘Hm?’ bromde hij.
‘We zijn in Marokko.’
Hij grijnsde. ‘Ja. Gekkenhuis. Marokko.’

Meeting Monsieur Moustache

We hadden ruim de tijd om ons te verwonderen over het land waar we ons bevonden terwijl we in de rij stonden voor de paspoortcontrole, want zoals het een goed stel Nederlanders betaamt, hadden we de verkeerde rij gekozen. Alle rijen om ons heen losten op een aardig tempo op, maar die van ons ging maar heel traag. Al snel kwamen we erachter hoe dat kwam: in het hokje zat niet alleen een nors kijkende besnorde man van middelbare leeftijd, maar ook een onschuldig ogende vent van begin twintig. Hij was duidelijk in opleiding en de oudere man was duidelijk aan het showen hoe zorgvuldig hij zijn werk wel niet moest doen.

Je suis, ehh… auteur?

Dat was ook het moment waarop we erachter kwamen dat iedereen naast zijn paspoort en instapkaart ook een papiertje met Arabische tekens erop bij zich had. De aardige vrouw achter ons wees naar een schap waar iedereen die papiertjes vandaan had getoverd, en waar wij als een stel blinde idioten straal voorbij waren gelopen. (Deze vrouw had zich overigens in vijf minuten van een westers ogende dame omgetoverd in een echte Marokkaanse, simpelweg door een hoofddoek om te doen en een omslagdoek aan haar outfit toe te voegen. Ik was diep onder de indruk.) Lau spoedde zich heen en weer om voor ons allebei zo’n blaadje op te halen en we stortten ons vlug op het invullen van alle info, die gevraagd werd in het Arabisch en Frans. Ik denk dat als ik meer tijd had gehad, ik iets langer zou hebben stilgestaan bij de regel ‘profession’. Nu legde ik me vooral toe op de vraag of ‘auteur’ een acceptabel Frans woord was, want het klonk wel Frans, dus dan zou het wel kloppen, toch?

Je bent geen schrijver. Ik herhaal: je bent géén schrijver

Gratis tip voor als je ooit besluit naar Marokko te gaan: ZEG NIET DAT JE SCHRIJVER OF JOURNALIST BENT. Ik verliet de paspoortcontrole pas een half uur na de rest van het vliegtuig, want zodra ze bij het woord ‘auteur’ aanbeland waren, ging de toch al trage Monsieur Moustache in havikmodus. ‘Auteur? Auteur de livres?’ vroeg hij.
‘Oui,’ zei ik.
‘Quel genre?’
Toen pas viel het kwartje. ‘Auteur de les novelles romantiques!’ antwoordde ik, met als bonus een dwaze glimlach. Ha-ha, ik ben een domme blonde doos die alleen romantische boeken schrijft en nóóit een kritisch woord over uw prachtige land zou schrijven, meneer, dat ziet u toch?

Monsieur Moustache doet zijn boekbespreking over…

‘Combien de livres?’
‘Cinq.’
Er werd wat overlegd. Toen schoof de oudere man me een papiertje toe. ‘Ecrivez-vous les titres,’ beval hij.
Braaf schreef ik ze allemaal op: Glazuur, Verkikkerd, Verslingerd, Schrijven kreng! en Helemaal het einde. Ik schoof het papiertje terug door het vakje en de twee mannen gingen in overleg, waarbij vooral de oudere erg boos keek en veel stemverheffing inzette. Er werd gebaard naar het papiertje, er werd gegoogeld naar mijn boeken. Uiteindelijk draaide de oudere man het computerscherm mijn kant op en liet me een plaatje van het omslag van Glazuur zien. ‘C’est votre livre?’
‘Oui,’ zei ik.
‘Quel sujet?’
‘Romantique,’ zei ik maar weer, maar Monsieur Moustache schudde zijn hoofd.
‘Ce qui ce passe?’ vroeg hij nadrukkelijk, en wees op het omslag van Glazuur.
O. My. God. Hij wilde dat ik ging uitleggen waar het boek over ging. En dus stak ik van wal, over een meisje dat Sophie heet en bij een reclamebureau werkt, en over hoe ze een leuker leven wil voor zichzelf, omdat iedereen over haar heen loopt. Ik moest heel wat handen en voeten bij mijn weggezakte middelbareschool-Frans gebruiken, en alsnog begrepen Monsieur Moustache en zijn Moustache-in-opleiding er waarschijnlijk geen reet van, maar nadat ik voor Verkikkerd en Verslingerd hetzelfde had gedaan, begon ik stilaan het vermoeden te krijgen dat ze het allemaal nogal grappig vonden.
Zij wel.

Wie schrijft er nou op vakantie

Er werd meer overlegd, naar mijn paspoort gebaard, en toen eiste Monsieur Moustache: ‘La raison por votre visit?’
Ik fronste. De reden voor mijn bezoek had ik ook al op het papiertje met Arabische kriebels ingevuld. ‘Tourisme,’ antwoordde ik.
‘Pas d’ecrir?’
Uiteraard ging ik deze vakantie wel schrijven, daar had ik speciaal een laptop voor meegenomen. Maar ik had zo het idee dat hij liever een ontkennend antwoord zou krijgen, dus zei ik met mijn onschuldigste glimlach: ‘Mais non, naturallement pas d’ecrir! C’est un vacance!’

Maar wáár in de medina?

Hij keek me geringschattend aan en blafte toen: ‘Quel adresse?’
‘Eh, pardon,’ zei ik. Bedoelde hij nou het adres van de riad of mijn eigen huisadres? ‘Le riad?’
Hij knikte. Ik groef de reservering voor de riad op uit mijn tas en de twee mannen bekeken het papier zorgvuldig. Uiteindelijk keek de strenge man op en vroeg: ‘C’est où?’
‘Fès,’ zei ik.
‘Dans la medina?’
Ik knikte.
‘Où dans la medina?’ vroeg hij.
Ik trok paniekerig mijn wenkbrauwen op. ‘Je ne sais pas! L’adresse est ici.’ Ik wees op het papier met de reservering. ‘C’est ma première fois au Maroc. Je ne sais pas la route.’
Eigenlijk had ik er nog aan toe willen voegen dat ik de weg niet eens kende in mijn eigen dorp, laat staan in een land waar ik nog nooit was geweest.
Gelukkig was mijn Frans daar niet goed genoeg voor.

Moet ik terug?

Er werd nog wat gebaard naar mijn paspoort en er volgde wat boos overleg. Ik wist inmiddels niet meer zo goed hoe ik moest staan. Geen van de andere passagiers was zo lang bezig geweest. De hele hal was leeg. Als ik iets zei, galmden mijn woorden tegen het marmer van de vloer en de wanden. Net toen ik me af begon te vragen of ik überhaupt nog wel Marokko in zou mogen of gewoon op het vliegtuig terug zou worden gezet, zette Monsieur Moustache met veel omhaal een stempel in mijn paspoort. Daarna schoof hij mijn papieren weer terug door het luikje in het glas en knikte.

Even geen schrijver

Opgelucht liep ik even later door het poortje dat naar de douane leidde. Lau kwam met een bezorgde frons op me af. ‘Wat duurde dat lang. Ik mocht niet eens blijven staan om op je te wachten, weet je dat? Er kwam een mannetje naar me toe om me weg te sturen.’
Ik vind het wel mooi hoe in de twee-meter-vijf-lange wereld van Lau iedereen een ‘mannetje’ is.
‘Hé, weet je dat ik deze week geen schrijver ben?’ zei ik. ‘Vanaf nu ben ik student. Of secretaresse. Of schoonmaakster. Maar als we weer zo’n klotepapiertje moeten invullen is deze chick even geen schrijfster meer.’
‘O,’ zei Lau geïnteresseerd. ‘Betekent dat dat ik deze week niet bang hoef te zijn dat iets wat ik zeg “per ongeluk” in een boek terechtkomt?’

Op naar de medina

We lieten ons nog even voor 20 euro oplichten bij het geldwisselkantoortje en liepen toen een beetje gedesoriënteerd het vliegveld uit, op zoek naar een taxi om ons naar de medina te brengen. Een man in een leren jack kwam op ons af. ‘Taxi?’ vroeg hij.
Op dat moment vroeg een luide, maar niet onaardige stem achter ons: ‘Moeten jullie ook met de taxi?’
We draaiden ons om en zagen de vrouw die zojuist in een paar handelingen helemaal Marokkaans was geworden op ons af lopen. ‘Niet met deze, hoor,’ zei ze, en wuifde de man weg. ‘We moeten de achterste taxi’s hebben. Loop maar mee. Delen we een taxi?’
Schaapachtig liepen we achter haar aan en wisselden een blik. Ik ben altijd geneigd om mensen te vertrouwen, maar het zou net iets voor mij zijn om dat in een vreemd land te doen en meteen opgelicht of beroofd te worden. Aan de andere kant: deze mevrouw kwam samen met ons uit het vliegtuig. Als dit een plan was om ons op te lichten, was het wel héél geraffineerd.
‘Ja, is goed,’ zei Lau dus maar, en ik knikte ook. ‘Laten we een taxi delen.’

 

Zo, dat was alvast deel 1 van Op Avontuur in Marokko! Ik hoop dat je het leuk vond om te lezen. Werkelijk nog geen idee in hoeveel delen ik dit moet gaan hakken om het nog een béétje interessant te houden qua lengte, maar we zien het vanzelf. Ik post deel 2 zo snel mogelijk!

 

Liefs,
Lis